Eelko Alta 1723 - 1798
EELKO ALTA (1723-1798) dominee, boer en politicus,
Ontleend aan het boekje ‘Dit Wiene ek Friezen’ deel 2, een verzameling van
kleine biografiën, samengesteld door J.J. Kalma (uitg. Miedema Leeuwarden
1964). Volgt mijn vertaling uit het Fries, waarin dit boekje is geschreven. Wat
is nu de reden, dat zovele 18e eeuwse dominees bij ons bekend zijn door hun
werk, dat op het eerste gezicht niets te maken heeft met hun ambtspraktijk? Wij
zouden eraan kunnen denken, dat het opvallende gewoonlijk het eerst en meeste op
de voorgrond treedt. Het uitzonderlijke krijgt door de eeuwen heen de meeste
aandacht. Zouden die dominees een uitzondering vormen en was de regel toen dan
anders. Maar met die verklaring zijn wij er nog niet. Want er zijn dominees bij
die dit aparte werk met hartstocht hebben
bedreven. Er zit zelfs, naar het lijkt, ook nog zoveel achter, dat wij van een
roeping kunnen spreken. Wij hebben het al over de persoon van J. Stinstra gehad,
maar wij moeten het hier weer zeggen. Wij kunnen ook denken aan ‘de vlucht uit
het ambt’, waar ook heden nog in de kerkelijke pers over wordt geklaagd. Is
die er toen ook al geweest en zit er achter de houding waar wij het nu over
hebben, ook iets van ontevredenheid en onrust? Wij weten van onkerkelijkheid in
die tijd en sommige dominees hebben moeilijkheden gehad, omdat zij tussen de
partijen in stonden. Er zijn ook dominees geweest, die het nieuwe opzettelijk
hebben opgezocht en voor wie het beslist geen vlucht was,
maar het gevolg van hun ambtsopvatting. Een dominee was soms
bijvoorbeeld tegelijk dokter, niet omdat het ambt hem geen bevrediging
gaf, maar omdat hij de noodzaak van dat werk aanvoelde. Hoe zou hij de lieden
geestelijk kunnen helpen als zij zich naar lichaam niet goed voelden? Hoe kon
hij hen geestelijk tot ontwikkeling brengen, als zij niet lezen en schrijven
konden? Hoe zou hij hun geestelijke welstand kunnen bevorderen, als er op
economisch en sociaal terrein zulke achterlijke toestanden waren? De 18e eeuw
mag in een bepaald opzicht stilstand laten zien, er is toch ook wel gezocht en
vooral is er geëxperimenteerd op allerlei gebied. Het is een tijd waarin de
natuurwetenschappen meer plek krijgen, het is ook de tijd waarin de ‘rechten
van de mens en burger’ klaar en duidelijk geformuleerd werden. De Franse
Revolutie komt niet zomaar uit de lucht vallen, het rationalisme met de
overschatting van het menselijk verstand, die daarmee gepaard ging, wordt in die
tijd voorbereid. De 18e eeuw is immers de ‘eeuw van de Verlichting’. Wij
geloven dat dit de achtergrond is, die een aantal vreemdsoortig- heden gewoon en
het onnatuurlijke en onderzoek- bare verklaarbaar maken. Er zijn dominees
geweest, die zich met onderwijsvraagstukken of met landbouw, met zeevaartkunde
en dijkaanleg, met veeziekten en turf maken hebben beziggehouden. Zij zijn er
mee bezig als kinderen van hun tijd, omdat zij het ambt van herder en leraar een
ruimere betekenis moesten geven dan hun voorgangers. Wij zullen het hier hebben
over Eelko Alta, de 18e eeuwse dominee, die van 1745-’54 te Beers en Jellum
gestaan heeft en daarna van 1754 tot zijn dood (1798) te Bozum. Als dorps
dominee is Alta geen opvallende figuur, ook al zat hij in het Classicaal bestuur
van Sneek en werd hij afgevaardigd naar synoden van andere gewesten. Hij had
evenwel een knap theoloog kunnen worden. Kort na zijn studietijd in Franeker
(1737-1745) moet hij op het drietal gestaan hebben voor hoogleraar in de
wijsbegeerte aan zijn ‘Alma Mater’ (1747), maar theologische geschriften
heeft hij niet geleverd en als dominee viel hij ook niet op. Hij komt naar voren
als politicus, maar meer nog als boer. Het is wonderlijk dat wij het zeggen
moeten, maar Alta is een van de beste landbouwspecialisten van zijn tijd
geweest. Zijn levensrelaas is snel verteld. Hij werd in 1723 als zoon van een
zilversmid in Makkum geboren. Van zijn eerste opleiding is niets bekend, maar
als hij 14 jaar oud is, komt hij in Franeker en begint daar, in de voor die tijd
zeer vrijzinnige faculteit, o.a. onder Venema, met de studie van de theologie.
Later heeft hij laten weten dat hij eerst niet goed besluiten kon of hij boer of
dominee zou worden. Ook sommige van zijn kinderen, hij heeft er negen gehad (sic...
volgens mij 8), zijn later op de boerderij terecht gekomen. Zijn studietijd
heeft lang geduurd. Dat moest ook wel omdat hij jong begonnen was, maar in 1745,
toen hij 22 jaar was, werd hij dominee te Beers. Hij trouwt hetzelfde jaar met
Jacobje Jans van Heerenveen en zijn oudste drie kinderen worden ook te Beers
geboren. Wij weten van het werk aldaar niet veel af, maar het staat wel vast dat
hij een volksman geworden is, want in het roerige jaar 1748 is hij een van de
twee afgevaardigden van Baarderadeel geweest, die naar de Doelisten-bijeenkomst
te Leeuwarden zijn geweest. Hij is dan al democraat en hij zal levenslang
opkomen voor de belangen van het volk. Te Beers en omstreken zal hij
ongetwijfeld ook de ellende gezien hebben op de boeren bedrijven van het
weidegebied. In 1744 was namelijk voor de tweede keer in die eeuw de veepest
uitgebroken en die keer duurde dat heel lang. Hij heeft in zijn eerste gemeente
ook nog de jonge grietman leren
kennen, Ernst Frans van Aylva, die van 1752-’78 de grietenij bestuurde en
evenals Alta tot de patriotten partij behoorde. In 1754 verhuist Alta naar de
rijke Bozumer gemeente. Er wordt een nieuwe pastorie voor hem gebouwd en
menselijkerwijs gesproken is hij nu waar hij wezen wil. Hier worden nog 6
kinderen geboren. Van het dominees werk in
Bozum weten wij iets meer. Alta heeft de kerkboeken goed bijgehouden en
vaak ook aantekeningen gemaakt waar wij wat aan hebben. Een bloeiende gemeente
is Bozum niet geweest. Als het weer niet meewerkte werden de diensten slecht
bezocht. De collecten leveren ook al niet veel op. Het valt ons op dat er maar
een klein aantal lidmaten, dopelingen en avondmaals bezoekers zijn. In de
hooitijd, de ‘ûnlege tiid’ 1 , staat de middagdienst stil, maar het
kan ook gebeuren dat Alta de dienst niet door laat gaan als hij zelf ’s
middags nog een goede dominee wil horen in Franeker of Leeuwarden. Dat kon, want
onze dominee had ook paarden. Later had hij zelfs een paar harddravers, die nog
al eens in de prijzen zaten. Ook als er in de omtrek kermis is, is er vaak maar
één keer dienst. Wijst dit erop dat Alta het niet zo nauw nam? Hij
stond in ieder geval niet alleen, want wij weten van een andere 18e eeuwse
dominee, die in de zomer het devies had: ‘In de oogsttijd geen catechisatie,
dan kunnen de boeren thuis wel slapen’. Men geeft vaak te hoog op van de
kerkelijkheid in die tijd en zou misschien wel de stelling kunnen verdedigen,
dat het kerkelijk besef op het platteland nu groter is dan in de 18e
eeuw. Er is ook een vrij grote distantie geweest tussen de vaak verlichte
dominees en de traditioneel gelovende kerkgangers. Het is dan ook de tijd dat
het aantal ‘oefeners’ 2 zich
uitbreidt. Wij geloven niet dat Alta zich van dit vraagstuk weinig heeft
aangetrokken. Hij heeft echter niet geprobeerd om het langs de kerkelijke weg op
te lossen. Had hij in Beers al belangstelling voor landbouwkundige vragen en
alles wat daaraan vastzit, in Bozum wordt dit sterker. Alta heeft geweten dat er
van directe volksinvloed op de regering en de Staat geen sprake kon zijn. Dat
zou eerst in de 19e eeuw komen. De ontwikkeling van de plattelandsbevolking
moest daaraan voorafgaan en daar heeft hij zich volledig voor ingezet. Hij kon
dit gemakkelijker doen omdat hij , evenals zovelen dominees uit die dagen, ook
praktizerend boer was. De pastorie landen had hij zelf in beheer genomen en hij
had een zetboer op de pastorie hoeve. Hij kreeg ondertussen meer koeien en
paarden, zodat hij het vee ook op andere plaatsen moest onderbrengen. Zelf boer
en wonende tussen de boeren heeft hij de ogen goed open gehad. De natuur, waar
de plattelands bewoner meer mee te maken heeft dan de stedeling, heeft hij goed
geobserveerd. Het is bekend dat hij sinds 1751 geregeld aantekeningen maakte
over het weer, hetgeen hij 14 jaar lang volhield. Verschillende artikelen van
zijn hand zijn over dit onderwerp uitgekomen. Hij is wat dat betreft een echte
18e-eeuwer. Hij verzamelde feiten en experimenteerde hartstochtelijk en hij was
ook bijzonder zakelijk. Maar tegelijk heeft hij in 1774, onder de indruk van het
bericht van de conjunctie van de Maan en van de vier planeten Jupiter, Mars,
Venus en Mercurius op 8 mei van dat jaar, een brochure geschreven, waarin hij de
ondergang van de wereld zo niet voorspelde, dit wel voor mogelijk hield. Hij had
met dat boekje, dat met recht aan hem wordt toegeschreven, de onrust, die er
toch al was vermeerderd en ook aan Eise Eisinga de aanleiding gegeven om zijn
planetarium te bouwen. Behalve met het weer en de astronomie heeft hij ook met
het grote vraagstuk van de 18e eeuwse veeboeren, de veepest, die duizenden
slachtoffers maakte, zich ingelaten. Gewoonlijk krijg de Groninger boer Geart
Reinders van Garnwert wat dit betreft alle eer, maar het staat vast dat Alta
veel eerder begonnen is met inenting proeven toe te passen en zo deze vreselijke
veeziekte tegen te gaan. Omstreeks 1755 moet Alta begonnen zijn, maar niet
eerder dan 1764 waagde hij het er openlijk voor uit te komen. Hij moest namelijk
oproeien tegen een hoop misverstand, tegen dom conservatisme en ook tegen het
fatalisme met een godsdienstige kleur. De lui zagen in de plaag ‘de
straffende hand van God over Nederland’ en wilden eerst niets weten van
natuurlijke oorzaken. Alta, die een voorstander was van het inenten tegen
kinderpokken, die twee van zijn kinderen hadden gehad, had aangevoeld dat er
afweerstoffen moesten komen en hij heeft het aangedurfd zijn eigen vee voor
experimenten te gebruiken. Zo slaagde het hem een middel tegen de kwaal te
vinden, waar hij echter de oorzaak niet van kende. In 1764 schreef hij een
‘Verhandeling’, die met recht een ‘stoutmoedig boek’ genoemd is. In 1769
volgde een ‘Nodige Raadgeving’. Als wij bedenken, dat hij als democraat bij
de regenten voor de dichte deur kwam en dat hij als verlichte dominee bij een
deel van het kerkvolk voor ketter doorging, dan moeten wij bewondering hebben
voor zijn moed en volhouden. Eerst toen hij in Holland enkele prijzen had
behaald en er als deskundige erkend werd, kwam er ook in Friesland verandering
in de houding. Hij had een boerderijtje gehuurd, waar hij met zijn oudste zoon
Jacobus Canter praktisch werk deed. Ook toen vaststond, hoe er geholpen kon
worden en hij al entstof begon te leveren ook buiten Friesland, is hij met zijn
experimenten doorgegaan. Hij voelde dat er toezicht op de handel moest komen en
stond wat dat betreft aan de kant van de regering, dat door de boeren werd
tegengewerkt. Er werd in die dagen gezegd: ‘Zullen de heren ons leren hoe wij
boeren moeten?’ Alta schreef ook over de uitvoer van hooi en maakte
bevolkingsstudies toen er nog niet veel aan deze dingen werd gedacht. Behalve
boer was hij ook nog politicus. Na 1748 had hij zich rustig gehouden. Hij zal
ook wel op de zwarte lijst hebben gestaan. Maar het sprak vanzelf dat hij later
tot de Patriotten behoorde. Niet dat hij het in alle opzichten met hen instemde
maar wat de tegenstanders, de Prinsgezinden, deden kon nog minder op zijn
instemming rekenen. In 1787, bij de omwenteling, zal hij wel even gevaar gelopen
hebben, maar hij kon nog in Bozum blijven en hoefde niet als zijn vriend, de
grietman van Aylva, naar Frankrijk te vluchten. Zijn zonen kwamen echter wel in
moeilijkheden. Zij werden ervan beschuldigd dat ze Patriottische liederen hadden
gezongen. Zij raakten in de gevangenis ‘de
Fryske Bastille’ 3 en kwamen eerst na een lang proces weer vrij. Dat het
er in Bozum raar toeging kunnen wij afleiden uit een verhaal dat Alta later
heeft verteld. De Oranjelui dwongen hem en de kerkvoogden de Prinsevlag van de
toren te laten waaien. Met het gevolg dat de vlag stuk waaide. Toen de
kerkvoogden weigerden om een nieuwe te kopen, lieten de Oranjelui er zelf een
maken met Willem en Wilhelmina, het stadhouderlijk paar, er levensgroot op en
met het opschrift: ‘Eindelijk zegepraalt de goede zaak’. De vlag werd echter omgekeerd
gehesen, zodat het stadhouderlijk paar op de kop hing met ook nog een gat boven
hun hoofden, wat de Patriotten als een goed teken zagen. Uiteindelijk liep Alta
zelf ook nog tegen de lamp. Een in 1790 aan van Aylva geschreven brief werd
onderschept en de dominee, die niet jong meer was werd uit het ambt gezet. Hij
verloor het voor die tijd hoge traktement van 1200 caroli guldens en hij heeft
van 1790-1795, toen hij in het ambt werd hersteld, honger moeten lijden, als
Hollandse patriotten hem niet geholpen hadden. Wij kunnen ons indenken, dat hij
het Franse bevrijdingsleger met blijdschap tegemoet zag. Op de dag van de
terugkeer van de ballingen (10 februari 1795) was het hem of droomde hij en het
spreekt voor zich, dat al was hij verkouden en hees, in Bozum bij de
vrijheidsboom spreken moest. Alta was toen al 72 jaar, maar hij kwam dat jaar
met een aantal andere dominees nog even op de voorgrond. Hij werd
volksrepresentant van Baarderadeel en nam met een redevoering over George
Washington, waarmee hij zichzelf vergeleek, zitting in het College. Hij schrijft
dan ook verschillende brochures en kranten artikelen en wat hij te zeggen heeft
is altijd de moeite waard. Zijn haat onderdrukt hij en hij waarschuwt voor het
dreigend gevaar van een tweespalt. Wij voelen echter, dat hij, ook al is hij unitariër
4 , het tempo van de tijd niet kan bijhouden en raakt daardoor al gauw aan
de kant en neemt dan met een bittere verklaring in de Leeuwarder Courant (4 juni
1796) afscheid, terwijl hij nogmaals waarschuwde voor de nieuwe ‘kliekgeest’, die in opkomst is. De dominee, boer en politicus, die
toen al langer dan 50 jaar in het ambt stond, zal het tot het einde volhouden,
maar de dood kwam nog gauw om hem mee te nemen. In de nacht van 15 op 16
augustus 1798 is hij nog vrij onverwachts gestorven. Alta was een man van zijn
tijd geweest, met allerlei dingen waar wij nu om lachen, maar de Friese boeren
hebben meer aan hem te danken dan menigeen weet. Zijn naam als pionier op het
gebied van het inenten mag ook nu nog met ere genoemd worden. Hij is
één van de eerste landbouwtheoretici van ons land geweest. Mede
door hem begon ook de Friese kerk een ruimere horizon te krijgen. noten:
1 beste vertaling van ‘unleeche tiid’ is
waarschijnlijk de tijd waarin het ongelegen kwam om iets anders te doen dan het
boerenwerk gedurende de oogsttijd.
2 ‘oefeners’,
kerkelijke gezindte waar een lid van de gemeente (geen predikant) de dienst
leidt.
3 bedoeld wordt het Blokhuis te Leeuwarden.
4 voorstander van de eenheid.
Uit de Stads-en Dorpskroniek van Friesland (1700-1800) door Dr G.A. Wumkes:
1745 8 Juni, Cand. Eelko Alta, doet zijn intree met
2 Cor. 2:16-17 in de oude kerk te Beers, waarin een vervallen gestoelte,
‘waarop verscheidene heidensche afgodenbeelden met haare namen op gesneden
staan’. Alta wordt in 1748 uit Baarderadeel gekozen op de Doelen, zijnde dus
een z.g.n. Doelist. In 1780 geniet hij 80 goudgl. van de Amsterdamsche
landbouwmaatsch. voor zijn inenting van 131 kalveren en zijn bericht daarover.
1747 10 Februari, De Senaat te Franeker draagt ds. Eelko Alta te Beers voor als
prof. in de wijsbegeerte. 1765 5 Januari, Gedrukt bij W. Wigeri te Leeuwarden:
Verhandeling over de natuurlijke oorzaken der ziekte onder het rundvee en
derzelve langere duuringe als te vooren, gaande vooraf 2 vertoogen gezonden aan
de Holl. Maatschappij der wetenschappen, ter beantwoording eener vraag over deze
stoffe in 1759 voorgesteld en in 1760 herhaald door ds. Eelko Alta te Bozum, 18
st. 1769 13 September, Ook nog te bekomen: Nodige Raad-gevingen aan overheden en
ingezetenen over de veesterfte door ds. E. Alta te Bozum, 5 st.
1778 3 October, Ds. Eelco Alta te Bozum heeft een
uitvoerig artikel in de Leeuwarder Courant over de nieuw ontdekte longziekte der
kalveren. 1778 28 November, De maatschappij ter bevordering van landbouw te
Amsterdam besluit uit te geven: Verhaal van de inentingen verricht op kalveren
door Ds. E. Alta te Bozum. Tot zover enige wetenswaardige berichten over ons
familielid ds. Eelco (Eelko) Alta, predikant, patriot en amateur-wetenschapper
inzake veeziekten. De familieband is tot op heden niet geheel duidelijk, maar
het is een Alta, nietwaar? Een dan nog een kort berichtje uit Makkum: 1754 19
Augustus, verkoop der helling Altena (Alta?) aan de
Oorsprong onbekend
Of er een verband bestaat tussen de komst van de nieuwe dominee in Beers op 8 juni 1745 en de veranderingen die daarna plaatsvinden is niet bekend, maar feit is wel dat men in 1750 begon met het opknappen van de oude kerk. Het antieke orgeltje dat tegen de muur van de toren op een paal stond, was al sinds jaren niet meer bruikbaar. Het orgel dat de kerkvoogden toen kochten, werd gebouwd door de befaamde orgelmaker Schwartsburg te Leeuwarden.
De oude kansel die al in 1745 een "vervallen gestoelte" genoemd werd, paste natuurlijk niet bij dit nieuwe orgel. De kerkvoogden keken niet op een paar guldens en de Leeuwarder beeldhouwer E. Swalue (Eylardus Albartus; ver familielid van de dominee) kreeg opdracht een nieuwe kansel te maken.
Ook het woonhuis van de nieuwe dominee was kennelijk niet representatief. Dominee Ernestus Viglius schreef in 1786 over de pastorie te Beers: "Staat N-N.O. van de kerk, mooi huis met bekwame kamers, prachtig hof en tuin en een gracht daaromheen. In den gevel op het Suiden het jaartal 1562. Van binnen verbouwd in 1669, latere verbouwingen in 1748". (!)
Het traktement van dominee Eelco Alta moest worden betaald uit de zogenoemde 'pastoriegoederen', in hoofdzaak landerijen. Door de veepest en misoogsten was de opbrengst van die landerijen bedroevend weinig. Maar ook een beginnend predikant kan niet van de wind leven, nu niet en toen ook al niet. Eelco wist al snel met de kerkvoogdij een akkoord te bereiken dat zijn traktement 450 gulden per jaar zou bedragen. Als de landerijen dat niet konden opbrengen, zou er uit de kerkelijke kas worden bijbetaald. Aan de andere kant zou, als de landerijen méér zouden opleveren dan 450 gulden, het overschot terugvloeien in de kas van de kerk. Dit akkoord werd aangegaan voor de duur van vier jaar en inderdaad moest er in 1747 en 1748 worden bijbetaald door de kerkvoogden.
Onderussen wakkerde de veepest steeds meer aan, terwijl de lasten steeds hoger werden. De ontevredenheid was dan ook zeer groot, mede doordat er op maatschappelijk gebied veel wantoestanden bestonden. Enkele voorname families hadden alle macht in handen en gebruikten die macht vaak om zichzelf te verrijken en elkaar de best betaalde functies toe te schuiven. In het rampjaar 1672 was het al tot heftige uitbarstingen gekomen, maar in 1748 werd het bijna burgeroorlog. De hele julimaand hielden de 'Doelisten', genoemd naar de eerste samenkomst in de Leeuwarder Stadsdoelen, samenkomsten in Leeuwarden om hervormingen door te zetten. Dominee Alta was ook een Doelist en hij werd door de Baarderadeelsters naar die vergaderingen afgevaardigd.
In 1754 werd Eelco Alta beroepen door de Hervormde Kerk te Bozum, waar hij op 29 september van dat jaar zijn intrede deed. Hij was naast dominee 'Doelist', realist, boer, 'veearts' en politicus. Hij schreef heel wat artikelen in de Leeuwarder Courant. Over wantoestanden, politiek en de bestrijding van de veepest. Door zijn politieke standpunten werd hij in 1790 door de Staten van Friesland, die toen op de hand van de Prins waren, uit zijn ambt gezet, maar de patriotten benoemden hem in 1795 weer tot dominee. Tegelijk met zijn eerherstel vierde hij het feit dat hij vijftig jaar dominee was geweest. Hij stierf op 17 augustus 1798, diep teleurgesteld omdat de wantoestanden waartegen hij had gestreden nog minstens even groot waren en de meeste oude politici en grietmannen nog stevig op hun plaats zaten. Ook was hij diep teleurgesteld in de toenmalige wetenschappers die met zijn diergeneeskundige methodes en medicijnen aan de haal gingen. Hij stierf als een arm man. Zijn zoons werden kastelein op Hulkenstein te Oosterlittens, maar zijn kleinkind Elco Alta bracht het tot secretaris van de grietenij/gemeente Baarderadeel.